Project Description

NEW LAW ON SEX: NO ‘YES’ ALSO MEANS ‘NO’ (Dutch)

This article was published on One World on 12 juni 2019.

Text: Justine van Beek

Te streng of niet streng genoeg?

Een nieuwe verkrachtingswet stelt dat alle vormen van onvrijwillige seks strafbaar zijn – ook als er geen sprake is van dwang. De één vindt dat deze wet te ver gaat, anderen stellen dat het nog niet ver genoeg gaat. Vanwaar die gemengde reacties, en wat betekent de wet in de praktijk?

Nee is nee, maar is géén ja niet eigenlijk ook een nee? Over die vraag heeft minister Ferd Grapperhaus van Justitie en Veiligheid recent de knoop doorgehakt. In de nieuwe aangekondigde Nederlandse verkrachtingswet wordt alle seks tegen iemands wil strafbaar, net zoals in Duitsland en Spanje al het geval is. Het huidige model in Nederland spreekt pas over verkrachting wanneer er sprake is van dwang door de dader. De nieuwe wet, die vermoedelijk pas eind dit jaar in stemming wordt gebracht in de Tweede Kamer, stelt dat alle vormen van onvrijwillige seks strafbaar zijn.

De aankondiging van de wet leverde gemengde reacties op. Moeten we straks voordat we seks gaan hebben een formeel contract ondertekenen? Sluipt de wetgever nu niet te veel onze slaapkamers in? De nieuwe wet zou de organische en wisselvallige natuur van seks ondermijnen, vinden sommige juristen. Aan de andere kant vindt bijvoorbeeld kennisinstituut Atria dat de wet juist niet ver genoeg gaat. Waarom wordt het wetsvoorstel zo wisselend ontvangen, en wat gaat de wet nu echt in de praktijk betekenen?

BEVRIEZEN TIJDENS MISBRUIK

In 2016 ging in Nederland het Verdrag van Istanbul in, een internationaal verdrag rond geweld tegen vrouwen. Conform dat verdrag moet Nederland álle onvrijwillige seks strafbaar stellen, niet alleen wanneer daar expliciete dwang (zoals dreiging met geweld, of geweld zelf) bij komt kijken. Dat weerspiegelt namelijk de realiteit van een grote groep slachtoffers van seksueel geweld, die bevriezen tijdens misbruik, en zich daarom niet kúnnen verzetten. Expliciete dwang is bij deze groep dan ook moeilijk aan te tonen.

Onder de nieuwe wet is het strafbaar als iemand weet, of behoort te weten, dat de seks tegen de wil van de ander is. Bijvoorbeeld als de bedpartner nee zegt, op andere manieren verbaal weigert, weigerende gebaren maakt, bevriest, of stopt met meedoen. Dan bestaat de plicht om te checken of er in die twijfelgevallen nog wel sprake is van instemming. Wie dat niet doet, en toch doorgaat, is straks strafbaar. Die wist dan, of behoorde te weten, dat de seks tegen de wil van de bedpartner was. Onder de huidige wet kan iemand vrijuit gaan als hij (of zij) wel wist of behoorde te weten dat de seks tegen de wil van de ander was, maar geen expliciete dwang gebruikte.

Kennisinstituut Atria vindt dat minister Grapperhaus het Verdrag van Istanbul niet voldoende volgt, schrijft ze. Het Verdrag van Istanbul stelt namelijk dat de nieuwe verkrachtingswet gebaseerd moet zijn op bewijs van instemming of juist afwezigheid van instemming, in plaats van op dwang. Minister Grapperhaus stelt nu voor een nieuw delict toe te voegen: onvrijwillige seks. De huidige wet gebaseerd op dwang blijft bestaan, en bij de toegevoegde ‘onvrijwillige seks-wet’ geldt een lagere straf. Maar dat houdt een onterechte hiërarchie overeind – alsof gedwongen seks erger is dan andere onvrijwillige seks, stelt Atria.

ONERVAREN EN STRAFBAAR?

Het voorstel stuit ook op kritiek onder juristen. Bart Swier, strafrechtadvocaat bij Vink, Veldman & Swier advocaten, ondersteunt de wet, maar noemt één onderdeel ervan ‘gevaarlijk’. “De ‘behoren te weten’-zinsnede in de wet betekent dat iemand die zich op het moment zelf van geen kwaad bewust is, achteraf wel strafbaar kan zijn. Het is dus onbewuste schuld waar zo’n vier tot zes jaar gevangenisstraf op kan staan. Dat raakt een kwetsbare groep, zoals jongeren die nog onervaren zijn, of jongens met autisme die niet heel sociaal bekwaam zijn. Het zal leiden tot pijnlijke ‘he said, she said’-procedures. Deze zinsnede is niet verplicht volgens het Verdrag van Istanbul, en er is niet per se behoefte aan.”

DE MYTHE VAN DE VALSE AANGIFTE

Een valse aangifte zou iemand kunnen ruineren. Maar is dit een reëel probleem?
Margreet de Boer, advocaat bij Van Kempen Advocaten, staat veel slachtoffers van seksueel geweld bij, en snapt de overweging van Bart Swier. Toch zijn er meer wetsbepalingen met soortgelijke formuleringen, zegt ze. “Stel, je gooit van vijf hoog een baksteen naar beneden. Misschien wist je op dat moment niet dat je daar iemand mee zou doden, maar je nam het aanzienlijke risico dat je dat wel zou doen op de koop toe. Je had het dus behoren te weten. Bovendien zal het ‘behoren te weten’ afgeleid worden uit concrete feiten en omstandigheden, die nog worden ingevuld in de parlementaire behandeling en in de rechtspraak. Ik verwacht dat als iemand heel jong en onervaren is, of autistisch is, dat door een rechter ook zal worden meegewogen.”

BEWIJS HET MAAR

Een ander terugkerend punt van kritiek is dat het probleem van bewijsbaarheid van verkrachting, aangezien er meestal geen getuigen aanwezig zijn, onder dit nieuwe model niet beter wordt. De Boer vindt het de omgekeerde wereld dat juristen beginnen met wijzen op het gebrek aan bewijsmogelijkheden. “Normstelling komt vóór bewijs. De waarde van deze wet is deels symbolisch, maar strafrecht is ook normstelling. Het zegt: dit deugt niet, het is strafbaar. Strafrecht moet gebruikt worden voor de meest ernstige normoverschrijding; seks tegen de wil is dat.” Swier betwijfelt in hoeverre het effect van normstelling gaat werken. “De verkeerswet zorgt er ook niet ineens voor dat mensen geen verkeersovertredingen meer maken. Mensen zijn zich bewust van de wet, maar doen het alsnog.”

De Boer stelt dat bewijslast altijd lastig is in zedenzaken. “Maar dat is geen reden om deze wet niet in te stellen. Moeten we dan alles wat strafbaar en lastig te bewijzen is, toestaan?” Ze kent meerdere zaken waarbij deze nieuwe wet wel degelijk had uitgemaakt. “Ik behandelde bijvoorbeeld een zaak van een meisje dat op een studentenfeestje heel dronken was. Een jongen had seks met haar, en dat werd gefilmd. De zaak leidde niet tot vervolging, omdat er geen expliciete dwang te zien was. Terwijl zij nauwelijks bij bewustzijn was. Onder deze nieuwe wet was dat mogelijk anders geweest, en in dit geval ook bewijsbaar.”

GERECHTIGHEID

Marthe Goudsmit, die onderzoek doet aan de Universiteit van Oxford naar de strafbaarstelling van image-based sexual abuse (‘wraakporno’), vindt het positief dat consent (toestemming) straks het uitgangspunt wordt. Goudsmit benadrukt bovendien dat er voor de meeste mensen in de praktijk weinig verandert. “Als je met iemand naar bed gaat, en het is duidelijk vrijwillig en gewenst, dan verandert er voor jou niets. Vervolging is afhankelijk van aangifte door het slachtoffer. Als je niet aan je partner vraagt of ze wil (en ze wil wel), dan zal ze natuurlijk geen aangifte doen omdat je het niet gevraagd hebt. Valse aangiftes bij seksueel geweld komen niet vaker voor dan bij andere misdrijven [zie kader]. Als je twijfelt of je bedpartner wel wil, dan moet je dat gewoon checken. Dat is nu precies wat deze wet moet bereiken.”

Bovendien, zegt De Boer, is veroordeling niet het enige wat telt voor slachtoffers. “In de media wordt vaak het beeld geschetst dat slachtoffers altijd boos zijn als er geen veroordeling van de dader plaatsvindt. In mijn ervaring kan het proces van aangifte doen, serieus genomen worden door de politie en zien dat de dader ter verantwoording wordt geroepen al enorm helpen. Niet alleen veroordeling is gerechtigheid voor het slachtoffer.” De situatie is nu dat onvrijwillige seks vaak niet-bewijsbaar is, én niet strafbaar. Slachtoffers krijgen daarmee impliciet de boodschap dat het oké is wat er is gebeurd. Straks wordt onvrijwillige seks in ieder geval strafbaar, en dat is heel belangrijk voor slachtoffers, aldus de Boer.

De bedoeling van de dader zo volgens Goudsmit niet moeten uitmaken. “De schade is immers hetzelfde. Maar de wet heeft geen oog voor de schade van het slachtoffer.”

Volgens Goudsmit zou de strafbaarstelling om de handeling van publicatie van privebeelden moetengaan. Dat is lastig in het strafrecht, daar is de promovenda zich van bewust. “Het gaat om twee gelijke rechten. Het recht op privacy van de een en het recht op vrijheid van meningsuiting van de ander.” Dat gaat zeker op in het geval dat de dader rechtmatig eigenaar is van de beelden, omdat die ze zelf heeft gemaakt (met toestemming). Goudsmit: “Vrijheid van meningsuiting wordt nu gebruikt als excuus om de grondrechten van anderen te schenden. Daar is vrijheid van meningsuiting niet voor bedoeld, en er is reden om tegen misbruik van dar recht op te treden. Daarvoor moet wel een strafrechtelijke grond bestaan, het recht op vrijheid van meningsuiting kan niet zomaar worden ingeperkt.”

In de nieuwe wet is die grond de intentie om schade aan te brengen. Maar dat vindt Goudsmit te beperkt. Ze wordt daarin gesteund door onder meer de Raad voor de Rechtspraak. Aan de universiteit van Oxford onderzoekt de Leidse op dit moment mogelijke andere gronden om wraakporno in her strafrecht te krijgen. Goudsmit heeft in Engeland inmiddels al over haar expertise gesproken met de staatscommissie die de Engelse wet gaat herzien.

Ze hoopt dat dit ook in Nederland gaat gebeuren. “Er is vanaf het begin een hoop commentaar op deze wet geweest. Het is erg jammer dat daar niet naar geluisterd is. Ik hoop dat rechters de wet ruimer zullen interpreteren, maar dat is afwachten. Uiteindelijk wil ik met mijn onderzoek bijdragen aan de omslag van het beeld in de maatschappij over wie schuld heeft aan dit soort misstanden. Nog te vaak wordt bet slachtoffer als de schuldige gezien en gaat de dader vrijuit.”

RETURN TO PUBLICATIONS
RETURN TO PUBLICATIONS