Project Description

Regarding the pointing finger – on the criminalisation of image-based sexual abuse (Dutch)

This article, written in Dutch, was published in Nederlands Juristenblad 24 (2018).

DONATE

1. Inleiding

In Nederland zijn voorbereidingen voor een nieuw artikel in het wetboek van strafrecht in volle gang. Het voorgestelde artikel 139h Sr moet een zelfstandige strafbaarstelling van seksueel beeldmateriaal realiseren, waaronder wraakpornografie. Een aanpassing in het wetboek van strafrecht is de hoogste tijd – tot nu toe heeft het perspectief van de wetgever steeds bij het publiek gelegen: pornografiewetgeving beschermt de kijker, niet de afgebeelde persoon.

Het lijkt soms moeilijk voorstelbaar dat het kijken naar een naaktfoto onacceptabel zou kunnen zijn. In de reclamewereld wordt veelvuldig gebruik gemaakt van advertenties met een schaars geklede vrouw, en pornografisch materiaal is in overvloed (online) beschikbaar.

Toch kan er iets aan de hand zijn met een naaktfoto: er bestaan gevallen waarin de afgebeelde persoon – en niet het publiek – beschermd moeten worden. Het komt steeds vaker voor dat slachtoffers van wraakpornografie verontwaardigd van zich laten horen omdat hun foto’s online beschikbaar gesteld zijn zonder hun toestemming.[1] Zij menen dat hun onrecht aangedaan is. De wetgever geeft hun die erkenning echter nog niet – een nieuwe wet zou daar verandering in kunnen brengen.

De strafbaarstelling van wraakpornografie is al een aantal jaar af en aan onderwerp van discussie in de Tweede Kamer.[2] Tot oktober 2017 leidde dat echter niet tot enig resultaat. In het regeerakkoord werd echter opgenomen dat wraakpornografie als zelfstandig delict strafbaar gesteld zal worden.

Deze bijdrage bakent de inhoud van het begrip wraakpornografie af, teneinde een effectieve strafbaarstelling te ondersteunen.

In de eerste plaats wordt dan ook de vraag gesteld: Wat is wraakpornografie? Daarnaast komt de vraag naar de inhoud van andere vormen van pornografie waarbij consent ontbreekt aan de orde. Vervolgens komt in deze bijdrage aan bod wat de kwalijke handelingen zijn die door een dader van wraakpornografie verricht worden, gevolgd door een analyse van drie gradaties van daderschap. Verheldering van deze punten zou een effectieve strafbaarstelling van wraakpornografie kunnen bevorderen.

2. De term wraakpornografie

De term ‘wraakpornografie’ fungeert als parapluterm, wat betekent dat een scherpe definitie momenteel niet alom gehanteerd wordt. Onder de term ‘wraakpornografie’ worden ten minste vier verschillende fenomenen geschaard, waarvan één bovendien eveneens wraakpornografie genoemd wordt. Om verwarring tussen ‘wraakpornografie’ als parapluterm en ‘wraakpornografie’ als indicatie van een enkel fenomeen te voorkomen, wordt voor de parapluterm in de rest van dit artikel de term ‘pornografie waarbij consent ontbreekt’ gehanteerd. Door de vier vormen hiervan allemaal dezelfde naam te geven, gaat de nuance verloren die bij het formuleren van de delictsomschrijving nu juist essentieel is. Om die reden worden hier de vier vormen van pornografie waarbij consent ontbreekt los van elkaar ontleed. Hoewel de term ‘wraakpornografie’ voor de media en het grote publiek wellicht voldoende accuraat is, kan dat voor de wetgever niet het geval zijn. Een scherpe definitie is noodzakelijk om een effectieve strafbaarstelling te kunnen realiseren. Als die ontbreekt, bestaat het risico te vervallen in definitiekwesties zoals aan de orde was in het Elektriciteitsarrest:[3] valt het geval dat voorligt nu wel of niet binnen de delictsomschrijving?

3. Vier vormen van pornografie waarbij consent ontbreekt

3.1 Wraakpornografie

De eerste vorm van pornografie waarbij consent ontbreekt die hier besproken wordt, is ‘wraakpornografie’. De definitie die ik daarvoor voorstel is: “seksueel beeldmateriaal dat met toestemming is gemaakt, maar zonder toestemming openbaar gemaakt is door degene aan wie het beeldmateriaal is toevertrouwd”.

Aan deze definitie valt een aantal dingen op: het gaat om beeldmateriaal dat met toestemming van de daarop afgebeelde persoon is gemaakt. Dit beeldmateriaal is eveneens met toestemming aan een ander beschikbaar gesteld, bijvoorbeeld een partner. Deze partner heeft het beeldmateriaal vervolgens zonder toestemming van de daarop afgebeelde persoon openbaar gemaakt.

3.2 Vreemden-wraakpornografie

De tweede vorm verschilt in de omschrijving slechts subtiel van wraakpornografie. Het is hier gedefinieerd als “seksueel beeldmateriaal dat met toestemming is gemaakt, maar zonder toestemming openbaar gemaakt is door een ander dan degene aan wie het beeldmateriaal is toevertrouwd.” Het gaat hier dus over het openbaar maken van seksueel beeldmateriaal door een ander dan degene aan wie het beeldmateriaal is toevertrouwd, en daarin verschilt deze vorm van wraakpornografie. Hier bestaat (nog) geen aparte term voor – de manier waarop het slachtoffer geschonden wordt, verschilt echter terdege. Ook kan in geval van toe-eigening middels hacking sprake zijn van computervredebreuk, waardoor het een zwaarder te straffen handeling is dat wraakpornografie – het handelt zich immers (mits sprake is van een effectieve strafbaarstelling) om twee delicten. Deze tweede vorm van pornografie waarbij consent ontbreekt wordt in dit artikel ‘vreemden-wraakpornografie’ genoemd.

3.3 Onvrijwillige pornografie

Een derde vorm die vaak wraakpornografie genoemd wordt, is onvrijwillige pornografie. Daarmee wordt hier bedoeld “zonder toestemming van de daarop afgebeelde persoon maken en verspreiden van seksueel beeldmateriaal”. Dit is in Nederland in veel gevallen strafbaar onder bijvoorbeeld artikel 139f en 139g Sr, of (zoals in een zaak uit 2012 gebeurde) onder artikel 246 Sr.[4]

3.4 Gefingeerde pornografie

De vierde vorm van pornografie waarbij consent ontbreekt, betreft bewerkte beelden die openbaar gemaakt worden. Een afbeelding van het hoofd van het slachtoffer wordt op een afbeelding van het zich in seksuele houding bevindende lichaam van een ander geplaatst, als ware het betreffende het lichaam van het slachtoffer. Dit wordt hier ‘gefingeerde pornografie’ genoemd.

4. Vergelijkbaar maar toch ongelijk

Van de vier vormen van pornografie waarbij consent ontbreekt staan wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie het meest in de aandacht. De kwalijke elementen van wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie zijn niet op het eerste gezicht duidelijk; dat blijkt onder meer uit de jarenlange discussie en de mate waarin sprake is van victim-blaming bij pornografie waarbij consent ontbreekt. Het slachtoffer kan vaak maar op weinig begrip rekenen doordat het beeldmateriaal met toestemming is gemaakt: dat lijkt het begrip van de wetgever en het grote publiek te vertroebelen. Dat de wetgever zich een aantal jaar op het standpunt gesteld heeft dat wraakpornografie onder smaad en laster valt, is daar een voorbeeld van.[5]

5. Pornografie waarbij consent ontbreekt onder smaad en laster

Voor smaad en laster is vereist dat er een element aanwezig is dat de eer en goede naam van het slachtoffer aantast. Dat element ontbreekt echter bij pornografie waarbij consent ontbreekt. In Nederland worden naaktfoto’s niet immoreel genoemd, en deze zijn (mits de afgebeelde persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt) ook niet illegaal. De enige manier waarop het zonder toestemming van de afgebeelde persoon openbaar maken van seksueel beeldmateriaal eventueel een smadelijk karakter zou kunnen hebben, is als bij de openbaarmaking door de dader een zin van de strekking “kijk wat vies”, “wat een slet”, “wat ordinair”, etc., wordt toegevoegd. Het is dan niet het beeldmateriaal op zichzelf dat een smadelijk karakter heeft, maar de uiting die door de dader naast het beeldmateriaal wordt geopenbaard: niet de afbeelding maar de uiting van de dader tast de eer en goede naam van het slachtoffer aan. Dergelijke uitingen worden niet alleen door daders gedaan.[6] Goedbedoelde adviezen van het type “dan moet je geen naaktfoto’s van jezelf maken” zoals veelvuldig in de media gehoord worden, hebben diezelfde nasmaak. De suggestie dat het slachtoffer iets heeft om zich voor te schamen, versterkt het idee dat naaktfoto’s immoreel zijn. Dat strookt echter niet met de realiteit, waarin naaktfoto’s in die zin sociaal geaccepteerd zijn dat men, zonder met eenzelfde veroordelende houding te maken te krijgen, er voor uit kan komen naaktfoto’s te hebben. Het oordeel ligt dus pas klaar op het moment dat de naaktfoto’s door anderen te bezichtigen zijn. Dat valt wellicht te verklaren door de privacy-breuk die met het openbaar maken van naaktfoto’s wordt gerealiseerd: niet alleen de afgebeelde persoon voelt die privacy-schending, de toeschouwer ervaart hem ook, maar stelt zichzelf gerust met de gedachte dat het toch eigenlijk wel te wijten is aan het onverantwoorde handelen van het slachtoffer.

6. Het onderscheid door de wetgever

Voor wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie geldt dat er door de wetgever en toeschouwers in het algemeen vooralsnog geen aandacht wordt besteed aan de wijze waarop het beeldmateriaal openbaar gemaakt wordt. Eenmaal in de openheid wordt wel stilgestaan bij de onwenselijkheid van het bestaan van een dergelijke foto, maar niet bij het feit dat de handeling van openbaarmaking iets anders van het beeldmateriaal heeft gemaakt: de handeling van publicatie is constituerend voor wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie. Zonder de handeling van publicatie zou wraakpornografie immers niet bestaan. Het beeldmateriaal dat de inhoud van wraakpornografie vormt, is – voordat het gepubliceerd wordt ­– geen pornografisch materiaal: dat wordt het pas nadat en doordat het is gepubliceerd. Doordat het beeldmateriaal openbaar gemaakt is, is het pornografisch materiaal geworden, waardoor de afgebeelde persoon wordt aangetast in diens waardigheid. Die aantasting vindt niet plaats zonder een dergelijke publicatie. Voorafgaand aan een publicatie zou naar het beeldmateriaal gerefereerd zijn als een ‘naaktfoto’, niet als (een vorm van) ‘pornografie’.

Tot dusver heeft de wetgever een onderscheid gemaakt in de bescherming van slachtoffers van pornografie waarbij consent ontbreekt door rekening te houden met de wijze waarop het beeldmateriaal tot stand gekomen is. Gebeurde dat met toestemming dan heeft het slachtoffer pech. Dat valt ook te zien aan de wettelijke bescherming tegen onvrijwillige pornografie: daar is veel duidelijker dat de toestemming van het slachtoffer om object van pornografisch materiaal te worden ontbreekt, en onvrijwillige pornografie is wereldwijd veel eerder en in meer landen strafbaar gesteld dan wraakpornografie of vreemden-wraakpornografie.[7] Het probleem waarmee de wetgever bij wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie geconfronteerd wordt, is dat er toestemming van het slachtoffer was voor het eerste deel dat bij pornografie waarbij consent ontbreekt een rol speelt: de totstandkoming van het beeldmateriaal. Dat is echter niet hetzelfde als: er was toestemming voor de publicatie van dat beeldmateriaal. Het slachtoffer wilde wel seksueel beeldmateriaal maken, maar had niet de intentie dit beeldmateriaal voor het grote publiek openbaar te maken: het moest privé blijven. Dat valt te classificeren als een als normaal en legitiem onderdeel van intimiteit, waarvoor geen reden hoeft te worden opgegeven en waarvoor geen excuses hoeven te worden gemaakt: “Sexting (het maken en versturen van persoonlijke naaktfoto’s of seksfilmpjes) en afspreken en seks via datingapps komen het meest voor onder 18- tot en met 24-jarigen en onder mensen zonder vaste relatie. Als we alleen kijken naar de mensen zonder vaste relatie, blijken mensen van 25 tot en met 39 jaar echter minstens net zo vaak aan sexting en online daten te doen.”[8] Het is een denkfout te menen dat toestemming voor de totstandkoming van seksueel beeldmateriaal automatisch of noodzakelijkerwijs leidt tot de totstandkoming van wraakpornografie. Dat mag het slachtoffer dus ook niet verweten worden: wat iemand in de uitoefening van zijn privéleven wil doen, moet hij – binnen de grenzen van de wet – zelf weten.

7. De handeling van publicatie

De totstandkoming van wraakpornografie en vreemden-wraakpornografie kan het slachtoffer dan ook niet verweten worden: de blaam treft degene die de handeling van publicatie uitvoert. Het kwalijke van wraakpornografie ligt niet besloten in het materiaal zelf, maar is gelegen in het feit dat het openbaar gemaakt wordt terwijl het privaat materiaal had moeten blijven. Het verschil tussen vrijwillige pornografie en (vreemden-)wraakpornografie is dan ook dat vrijwillige pornografie al pornografisch is voordat het openbaar gemaakt wordt. Reeds in de productie van het materiaal van vrijwillige pornografie is duidelijk en bekend bij alle betrokkenen dat het voor publicatie bestemd is. Seksueel beeldmateriaal dat niet voor publicatie bestemd was, wordt pornografisch op het moment dat het een publiek krijgt door de publicatie zonder toestemming van de afgebeelde persoon. In de publicatie ligt de verwijtbare intentionele handeling. (Vreemden-)wraakpornografie kan niet bestaan voordat het wordt gepubliceerd. De publicatie verandert het beeldmateriaal van privaat naar publiek. Wanneer het beeldmateriaal eenmaal publiek is, kan het niet meer opnieuw privaat worden – de privacyschending is dan ook nagenoeg permanent en onherstelbaar.

De handeling van publicatie schendt de privacy van het slachtoffer. Het materiaal dat getoond wordt, is beschamend juist door de privacyschending waardoor het slachtoffer de zeggenschap over de zichtbaarheid van zijn eigen lichaam verliest – niet door de naaktheid op zichzelf.

Emma Holten illustreerde dit een aantal jaar geleden. Nadat zij slachtoffer werd van (vreemden-)wraakpornografie, heeft zij een andere serie naaktfoto’s van zichzelf gepubliceerd. De naaktheid was niet wat haar schaamte opriep; de schaamte ontstond doordat zij zelf geen invloed had gehad over wie de eerste serie naaktfoto’s (die zonder haar toestemming openbaar gemaakt werd) kon zien.[9] Holten stelde daarmee feitelijk: ik heb er geen probleem mee naakt gezien te worden, maar alleen als ik zeg dat het mag – zij wil zelf bepalen wie haar naakt te zien krijgt, en hoe. Slachtoffers van pornografie waarbij consent ontbreekt wordt precies die keuze ontnomen. Het bezwaar dat Holten maakt illustreert dat een mens alleen naakt bekeken mag worden wanneer hij daarvoor zelf toestemming geeft: de schending ligt in de ongewenste publicatie door anderen, niet in de foto’s op zichzelf. Het gepubliceerde beeldmateriaal verhult echter het publicatieproces, doordat de inhoud van het beeldmateriaal de aandacht van de kijker absorbeert.

8. De dader als wijzende vinger

De film Le fabuleux destin d’Amélie Poulain bevat een scène waarin een man zijn fotoboek kwijt is. Hij volgt een speurtocht die hem naar een levend standbeeld brengt. Het standbeeld wijst naar boven, en de man bekijkt de vinger. Hij wordt aan zijn jasje getrokken door een jongetje: “Monsieur, quand le doigt montre le ciel, l’imbécile regarde le doigt” (vrij vertaald: als de vinger naar de hemel wijst, kijkt alleen de idioot naar de vinger).[10] Dat is ook wat een publicatie met de kijker doet: men kijkt naar de publicatie, niet naar de wijze waarop die tot stand gekomen is. De ‘bekijker’ van wraakpornografie kan degene die wraakpornografie publiceert niet (zomaar) zien. Het is wellicht enigszins te vergeven dat niet iedereen direct inziet dat sommig materiaal niet voor zijn ogen bedoeld is – volgens de zojuist aangehaalde filmpassage kijken immers alleen idioten naar het totstandkomingsproces. Dat betekent echter niet dat deze ‘aanwijzer’ van het beeldmateriaal genegeerd mag worden.

Publicatie heeft de schijn van een gewone weergave of reflectie van de werkelijkheid – de kijker ziet immers iets dat er al is: daardoor kan de kijker de indruk krijgen dat beeldmateriaal dat met toestemming gemaakt is de daarop afgebeelde persoon niet schaadt – of in elk geval dat de blik van de kijker niet schadelijk is. Het onbevoegd bekijken van het materiaal verontschuldigt de ‘zichtbaar-making’ – de kijker kijkt naar het slachtoffer, niet naar degene die hem het beeldmateriaal toonde.

Degene die naar wraakpornografie kijkt, heeft niet de indruk dat hij degene is die schade bij het slachtoffer veroorzaakt: als hij niet kijkt, zal een ander dat wel doen. Dat neemt echter niet weg dat de kijker van wraakpornografie wel degelijk de schade (mede) veroorzaakt. Het slachtoffer weet dat hij bekeken wordt. Als niemand zou kijken naar het gepubliceerde materiaal, zou er voor het slachtoffer minder schade ontstaan. Uit onderzoek onder slachtoffers van kinderpornografie blijkt dat het feit dat beeldmateriaal bestaat en mogelijk nog circuleert, een extra component van slachtofferschap vormt.[11] Dat is bij pornografie waarbij consent ontbreekt ook aan de orde. De kijker die zichzelf onschuldig waant, heeft de illusie dat de schade voor het slachtoffer er toch al is, terwijl hij er toch aan bijdraagt: de kijker (mede-)creëert de markt. De essentie van het probleem bij wraakpornografie is dat niet alleen de kijker niet begrijpt wat het probleem van het betreffende materiaal is (i.e. de openbaarheid, niet de inhoud ervan), maar dat deze nuance ook de wetgever lijkt te ontgaan. Dat is erg interessant aan de #AskFirst-campagne die in maart werd opgestart door een pornosite. De kijker van een schijnbaar pornografische film met de titel “Ex-girlfriend doesn’t know that I shared this!” wordt geconfronteerd met een vrouw die de kijker direct aanspreekt: “What […] do you think you’re doing? I’m talking to the person who is watching this. You know this is revenge porn, right?”[12] Deze campagne werd opgezet door The Danish Women’s Society en YouPorn, om de kijker ervan bewust te maken dat wraakpornografie mede door de kijker veroorzaakt wordt.

9. Intentie- of consequentiedelict?

Bij wraakpornografie wordt onterecht aandacht besteed aan twee dingen. Ten eerste wordt gekeken naar het handelen van slachtoffers en ten tweede naar de intentie van de dader, dus: heeft het slachtoffer toestemming gegeven voor het maken van seksueel beeldmateriaal?, en: waarom maakte de dader de foto’s openbaar? In de term ‘wraakpornografie’ ligt de nadruk op de intentie van de dader, terwijl die voor het leed dat slachtoffers wordt toegebracht irrelevant is. De intentie om leed toe te brengen zou in een strafbaarstelling eventueel een strafverzwarende omstandigheid kunnen zijn. Het zonder toestemming openbaar maken van seksueel beeldmateriaal door een dader die niet de intentie heeft leed toe te brengen, zou daarnaast echter ook strafbaar gedrag moeten zijn. In het ter consultatie voorliggende wetsvoorstel is hiervan echter geen sprake. Bij wraakpornografie gaat het om de consequentie voor het slachtoffer, niet om de intentie van de dader. Slechts een deel van de gevallen van wraakpornografie wordt strafbaar gesteld wanneer de strafbaarstelling zich richt op de intentie van de dader. De handelingen van het slachtoffer zouden daarentegen van ondergeschikt belang moeten zijn. Voor hem geldt juist de intentie: mochten de foto’s openbaar gemaakt worden, of niet?

10. Gebrek in wetsvoorstel artikel 139h Sr

Het aankaarten van een immorele handeling (zoals dat bij smaad aan de orde is) wordt gelijkgesteld aan het immoreel aankaarten van een handeling (te weten het zonder toestemming openbaar maken van seksueel beeldmateriaal) wanneer wraakpornografie onder smaad vervolgd wordt. Denk aan het volgende: “Ik denk dat het morgen niet gaat regenen” is niet hetzelfde als “Ik denk niet dat het morgen gaat regenen”. Het wetsvoorstel dat wraakpornografie strafbaar moet stellen, brengt daar verandering in door wraakpornografie niet langer onder smaad en laster onder te brengen maar maakt momenteel dezelfde vreemde keuze als het Verenigd Koninkrijk door zich op de intentie van de dader te richten: niet het gevolg van zijn handeling bepaalt de strafbaarheid, maar de intentie die de dader bij het verrichten van de handeling had. Het wetsvoorstel ter consultatie stelt: strafbaar is “hij die seksueel beeldmateriaal van een persoon aan een ander bekend maakt of openbaar maakt met het oogmerk van benadeling van die persoon”.[13] Dit zou ervoor moeten zorgen dat wraakpornografie strafbaar gesteld wordt. Het lijkt er echter op dat de wetgever zich daarbij sterk heeft laten leiden door de term ‘wraakpornografie’ (zonder deze term in het artikel op te nemen). Wat met dit artikel gecriminaliseerd wordt, is immers het openbaar maken van seksueel beeldmateriaal, maar alleen als het oogmerk is het slachtoffer te benadelen (dus: als het oogmerk van de dader een soort wraak lijkt te zijn – wraakpornografie hoeft echter niet met dat oogmerk te ontstaan). Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever tot doel heeft misbruik van seksueel beeldmateriaal te voorkomen. De wetgever erkent dat het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal onderdeel is van hedendaagse seksuele omgangsvormen, en lijkt daarmee dan ook het slachtoffer te willen beschermen tegen misbruik van seksueel beeldmateriaal. Het oogmerk ‘benadelen’ maakt van het voorgestelde artikel echter een intentiedelict, terwijl het leed dat het slachtoffer wordt aangedaan los staat van de intentie die de dader bij de publicatie van het beeldmateriaal had. Opmerkelijk is dat onvrijwillige pornografie – dat reeds onder meer algemene strafbaarstellingen vervolgd kan worden – in het eerste lid van het voorgestelde artikel meer volledig wordt gecriminaliseerd: het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van seksueel beeldmateriaal wordt expliciet strafbaar gesteld in sub a, en het aan een ander bekend of openbaar maken van opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigd beeldmateriaal terwijl de dader weet dat het beeldmateriaal onder bij sub a genoemde omstandigheden tot stand is gekomen, wordt strafbaar onder sub b. De wetgever noemt daarvoor in de Memorie van Toelichting de reden: “Gelet op de gevoelige aard van het beeldmateriaal moeten mensen zelf kunnen bepalen of dit tot stand komt”. Wederom lijkt het voor de wetgever dus eenvoudiger te begrijpen dat onvrijwillige pornografie onwenselijk is, dan dat het begrijpelijk is dat (vreemden-)wraakpornografie onwenselijk is. De wetgever blijft zich richten op het totstandkomingsproces van het beeldmateriaal (gebeurde dat met toestemming?), in plaats van op het totstandkomingproces van de publicatie (gebeurde dat met toestemming?), terwijl misbruik van seksueel beeldmateriaal juist gelegen is in de publicatie. Het zonder toestemming vervaardigen van seksueel beeldmateriaal is daarentegen geen misbruik van dat beeldmateriaal: het materiaal dat op dat moment gemaakt wordt, was niet oorspronkelijk voor andere doeleinden dan een schending bestemd; het zonder toestemming vervaardigen van seksueel beeldmateriaal vormt op zichzelf een schending van het slachtoffer (waarvan zonder meer ook noodzakelijk is dat dit strafbaar is). Wanneer iemand zonder toestemming seksueel beeldmateriaal vervaardigt en dat beeldmateriaal vervolgens publiceert, dan is de publicatie het misbruik van beeldmateriaal. Dat geldt ook voor beeldmateriaal dat met toestemming vervaardigd is: wanneer dat zonder toestemming gepubliceerd wordt, vormt de publicatie misbruik van beeldmateriaal. Het criminaliseren van onvrijwillige pornografie is niet hetzelfde als het criminaliseren van (vreemden-)wraakpornografie. (Vreemden-)wraakpornografie blijft kennelijk moeilijk als misdrijf vatbaar. De wetgever lijkt met het voorgestelde artikel 139h lid 2 Sr en de Memorie van Toelichting te impliceren dat de gevoelige aard van het beeldmateriaal een keuze van het slachtoffer is die – wanneer hij de keuze seksueel beeldmateriaal te vervaardigen eenmaal gemaakt heeft – (gedeeltelijk) met de gevolgen zal moeten leven. Niet de intentie van het slachtoffer bij het maken van het seksuele beeldmateriaal, maar de intentie van de dader bij het realiseren van de publicatie wordt in het voorgestelde artikel 139h lid 2 Sr immers als uitgangspunt genomen. Het misbruik van seksueel beeldmateriaal – dat de wetgever beoogt te voorkomen – wordt enkel dan strafbaar gesteld als ofwel het slachtoffer niets aan de totstandkoming van het beeldmateriaal kon doen (lid 1) ofwel de dader het oogmerk heeft het slachtoffer leed te berokkenen. Daarmee stelt de wetgever zich op het standpunt dat het kwalijk is om iemand leed te willen berokkenen, niet dat het kwalijk is om zonder toestemming seksueel beeldmateriaal (dat met toestemming is vervaardigd) te publiceren. Door de nadruk te leggen op het oogmerk van de dader zal een groot deel van de gevallen van (vreemden-)wraakpornografie buiten de delictsomschrijving blijven vallen. Het is onmogelijk vast te stellen wat de intentie van de dader is geweest als hij niet tegelijkertijd enige andere uiting heeft gedaan waaruit zijn intentie bleek. Van een degelijke bescherming van uitoefening van seksualiteit binnen de privésfeer is dan ook nauwelijks sprake: het tweede lid levert een enorme beperking van de strafbaarstelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal op.

De kwalijke handelingen die jegens een slachtoffer verricht worden bij wraakpornografie zouden de basis moeten vormen voor de strafbaarstelling. Dat is thans niet het geval: ook wanneer een dader niet het oogmerk heeft een slachtoffer leed te berokkenen wordt dat leed het slachtoffer aangedaan wanneer seksueel beeldmateriaal zonder toestemming openbaar gemaakt wordt. Bij ‘wraakpornografie’ wordt snel gedacht aan seksueel beeldmateriaal dat openbaar gemaakt is om wraak te nemen op het slachtoffer. In dergelijke gevallen is het oogmerk van de dader inderdaad leed te berokkenen. Als een dader echter seksueel beeldmateriaal openbaar maakt om bijvoorbeeld te pronken met de aantrekkelijkheid van een bedpartner of omdat hij meent dat het ‘gewoon een mooie foto’ is, is het oogmerk niet leed berokkenen aan het slachtoffer. Leed berokkenen is dan niet de intentie, maar wel het resultaat. De nadruk op de intentie van de dader leggen, zorgt ervoor dat een deel van de handelingen die hetzelfde gevolg hebben straffeloos kunnen blijven plaatsvinden, terwijl ook de dader die niet de intentie had om het slachtoffer leed te berokkenen had moeten weten dat hij dit leed zou toebrengen door zonder toestemming seksueel beeldmateriaal te publiceren. De dader die uit trots zonder toestemming seksueel beeldmateriaal openbaar maakt, verricht dezelfde kwalijke handelingen als een dader die leed wilde toebrengen.

11. Drie kwalijke handelingen

Wraakpornografie is wat betreft de gevolgen voor het slachtoffer op sommige vlakken vergelijkbaar met seksueel geweld. Het is niet ongebruikelijk dat slachtoffers van zedenmisdrijven het gevoel hebben dat zij zelf inherent slecht zijn en zichzelf niet los kunnen zien van het misdrijf dat jegens hen gepleegd is. Doordat het misbruik heeft plaatsgevonden aan hun lichaam kunnen zij zich bovendien niet distantiëren van de plaats delict. Slachtoffers zijn, letterlijk, onderdeel van het misdrijf dat jegens hen gepleegd is. Als zodanig voelen slachtoffers van seksueel geweld zich verantwoordelijk voor hetgeen hen is overkomen.[14] Een vergelijkbaar effect valt bij slachtoffers van wraakpornografie te herkennen.

Het is van belang om de kwalijke handelingen die de dader verricht te identificeren. Dit zijn niet in zichzelf de handelingen die strafbaar gesteld zouden moeten worden, maar de handelingen die ervoor zorgen dat hier sprake is van een fenomeen dat als geheel een strafbaarstelling vereist.

11.1 Vertrouwensbreuk

Allereerst is er bij wraakpornografie sprake van een vertrouwensbreuk. Wanneer iemand aan een ander seksueel beeldmateriaal van zichzelf toevertrouwt met dien verstande dat het beeldmateriaal niet verder verspreid mag worden, is er sprake van een vertrouwensbreuk wanneer diegene aan wie het beeldmateriaal werd toevertrouwd dit desondanks openbaar maakt. Een intieme relatie heeft “thick interpersonal trust.”[15] Dat wil zeggen dat het vertrouwen bestaat dat de in een intieme relatie voorkomende intimiteiten tussen de partners zullen blijven, en dat de kwetsbaarheid die bij intimiteit komt kijken niet misbruikt zal worden.[16] Dat geldt niet alleen voor die gevallen waarin naaktfoto’s aan een partner zijn toevertrouwd, maar voor het geheel aan intimiteit die tussen beide partners is ontstaan. Vertrouwen in een partner creëert de verplichting om geen misbruik te maken van de kwetsbaarheid die door de intimiteit ontstaat.[17] Een vertrouwensbreuk door wraakpornografie gebruikt elementen die voortvloeien uit de intimiteit van de relatie:[18] het slachtoffer wordt tegen zichzelf gebruikt.[19] Bij wraakpornografie is er noodzakelijkerwijs sprake van een breuk van dit vertrouwen, bij vreemden-wraakpornografie is van een vertrouwensbreuk geen sprake.

11.2 Dwingende controle

De tweede kwalijke handeling – de dwingende controle – is bij zowel wraakpornografie als vreemden-wraakpornografie aanwezig. Dwingende controle beperkt de vrijheid van slachtoffers en ontneemt hun de zeggenschap over hun eigen handelen, waarbij sprake is van (emotionele) manipulatie.[20] Dit kan zowel plaatsvinden door het publiceren van het beeldmateriaal, als door het dreigen met publiceren van het beeldmateriaal. De dwingende controle beperkt de autonomie van het slachtoffer en draagt bij aan het gevoel van verlies van waardigheid van slachtoffers. Slachtoffers raken sneller geïsoleerd, kunnen mogelijk hun baan kwijtraken of geen werk meer vinden.[21]

11.3 Ongewenste objectificatie

De derde kwalijke handeling is ongewenste objectificatie. Doordat slachtoffers van pornografie waarbij consent ontbreekt tot object van pornografie worden gemaakt, raken ze de zeggenschap over wie hen naakt mag zien, kwijt. Door de mate waarin het onmogelijk is om iets van internet te verwijderen, is een slachtoffer zich er bovendien van bewust dat het beeldmateriaal hem kan blijven achtervolgen.

De sociale impact van ‘pornografie waarbij consent ontbreekt’ versterkt het idee (bij de toeschouwer) dat objectificatie van anderen tegen hun wil acceptabel is: naarmate wraakpornografie meer voorkomt en niet bestraft wordt, lijkt het normaler gevonden te worden dat een persoon wiens naaktfoto’s tegen zijn wil openbaar gemaakt worden het recht om over de zichtbaarheid van zijn eigen lichaam te beslissen, verliest. De objectificatie die zonder toestemming plaatsvindt, en de mate waarin deze als ‘normaal’ beschouwd wordt door toeschouwers, draagt bij aan een cultuur waarin het respect voor de menselijke waardigheid van slachtoffers afneemt. Wanneer een slachtoffer heeft toegestemd in het maken van seksueel beeldmateriaal, en wanneer dit materiaal (door publicatie zonder toestemming) leidt tot de objectificatie van die persoon, bemoeilijkt het verminderde publieke respect voor het slachtoffer dat hij nog een beroep op bescherming van zijn menselijke waardigheid durft te doen.

12. Drie gradaties van daderschap

Aan de drie kwalijke handelingen kunnen drie gradaties van daderschap worden verbonden.

12.1 Eerstegraads dader

De eerstegraads dader is degene die seksueel beeldmateriaal dat hem is toevertrouwd zonder toestemming openbaar maakt en verspreidt. Bij deze dader zijn de drie kwalijke handelingen allemaal aanwezig: deze dader schendt het vertrouwen van het slachtoffer, oefent een dwingende controle over het slachtoffer uit door het slachtoffer de zeggenschap over wie hem naakt mag zien te ontnemen, en zorgt ervoor dat het slachtoffer tot object van pornografisch materiaal verwordt. De hacker die zich seksueel beeldmateriaal toe-eigent is hiervan uitgesloten.

12.2 Tweedegraads dader

De tweedegraads dader verkreeg seksueel beeldmateriaal uit tweede hand: ofwel van de eerstegraads dader, ofwel van een andere tweedegraads dader ofwel doordat hij het zich op andere wijze zonder toestemming van het slachtoffer heeft toegeëigend. Hij weet dat het beeldmateriaal zonder toestemming verkregen is, maar bekijkt het materiaal en verspreidt het materiaal desondanks actief. Deze dader heeft geen persoonlijke relatie met het slachtoffer (in tegenstelling tot de eerstegraadsdader). Er kan dan ook geen vertrouwensbreuk plaatsvinden zoals die bij de eerstegraadsdader aan de orde is. Voor deze dader geldt dat hij dwingende controle over het slachtoffer (mede-)uitoefent, en bovendien bijdraagt aan de objectificatie – dit doet hij door middel van het bekijken en verspreiden van het materiaal.

12.3 Derdegraads dader

De derdegraads dader verkrijgt het beeldmateriaal uit tweede hand – van een eerste- of tweedegraads dader. De derdegraads dader zou zich ervan bewust moeten zijn dat het beeldmateriaal zonder toestemming van de daarop afgebeelde persoon is gepubliceerd, en zou daarom moeten weten dat dit beeldmateriaal privé had moeten blijven. Deze dader verspreidt het materiaal niet actief verder, hij bekijkt het slechts. Hij weet dat het materiaal niet bedoeld was voor enige vorm van opwinding bij een anoniem publiek. De derdegraads dader is zich er dan ook van bewust, of zou zich ervan bewust moeten zijn, dat de afgebeelde persoon een slachtoffer is, maar bekijkt het beeldmateriaal desondanks voor zijn eigen plezier. Daarmee draagt hij bij aan de objectificatie van het slachtoffer. Hij normaliseert de objectificatie door willens en wetens zonder toestemming van de afgebeelde persoon naar seksueel beeldmateriaal te kijken. De derdegraads dader pleegt geen vertrouwensbreuk, en omdat hij het beeldmateriaal niet verder verspreidt, draagt hij ook niet bij aan de dwingende controle. Hij maakt echter gebruik van seksueel beeldmateriaal dat zonder toestemming is gepubliceerd en gebruikt het feit dat dit voor het publiek beschikbaar is. Hoewel het mogelijk is dat niet-consensueel pornografisch materiaal iemand onder ogen komt die daar niet naar op zoek was – een derdegraads dader per abuis als het ware – is het feit dat de derdegraads dader bestaat de reden dat pornografie waarbij consent ontbreekt voor slachtoffers zo schadelijk is. Als niemand naar het beeldmateriaal zou kijken, zou het leed van slachtoffers relatief beperkt blijven. Hoewel het vrijwel onmogelijk lijkt om de derdegraads dader op te sporen of onomstotelijk te bewijzen wat hij gedaan heeft, is wel degelijk noodzakelijk dat de wetgever zich bewust is van de cruciale rol die deze (passieve) dader speelt.

13. Conclusie

Wraakpornografie is een vorm van pornografie waarbij consent ontbreekt. Het gaat om seksueel beeldmateriaal dat met toestemming van de daarop afgebeelde persoon gemaakt is, maar dat zonder diens toestemming openbaar gemaakt wordt door degene aan wie het werd toevertrouwd. Daarnaast bestaat vreemden-wraakpornografie, waarbij seksueel beeldmateriaal met toestemming van de daarop afgebeelde persoon wordt gemaakt, maar zonder diens toestemming openbaar gemaakt wordt door een ander dan degene aan wie het is toevertrouwd. Bij onvrijwillige pornografie ontbreekt toestemming van het slachtoffer voor zowel het maken van het materiaal als het openbaar maken van het materiaal. Gefingeerde pornografie is bewerkt beeldmateriaal waarbij een afbeelding van het gezicht van het slachtoffer gemonteerd wordt op het zich in compromitterende houding bevindende lichaam van een ander, waardoor de schijn gewekt wordt dat het slachtoffer in de betreffende houding is afgebeeld.

De dader van wraakpornografie verricht drie kwalijke handelingen: hij schendt het vertrouwen van het slachtoffer, oefent een dwingende controle uit over het slachtoffer door hem de zeggenschap over de zichtbaarheid van zijn seksuele lichaam te ontnemen, en onderwerpt het slachtoffer aan een ongewenste objectificatie: het slachtoffer wordt tot object van pornografisch materiaal door de handeling van publicatie.

De dader van vreemden-wraakpornografie verricht dezelfde kwalijke handelingen, met uitzondering van de vertrouwensbreuk: het beeldmateriaal was hem immers niet toevertrouwd.

Naast de eerstegraads dader, die publiceert, verspreidt en bekijkt, dragen ook de tweede- en derdegraads daders bij aan het leed van slachtoffers: de tweedegraads dader verspreidt en bekijkt het materiaal, de derdegraads dader bekijkt enkel het materiaal.

De vier vormen van pornografie waarbij consent ontbreekt verschillen van elkaar, en in deze bijdrage ligt de nadruk op het ontstaan en de gevolgen van wraakpornografie en vreemdenwraakpornografie. Voor het slachtoffer is irrelevant wat de intentie van de dader was: het leed wordt niet berokkend door zijn intentie, maar door de gevolgen van zijn keuze om zonder toestemming seksueel beeldmateriaal openbaar te maken. Het zou bij de wetgeving over (vreemden-)wraakpornografie dan ook niet moeten gaan om een delict dat gericht is op de intentie van de dader, maar op de consequentie die wraakpornografie of vreemden-wraakpornografie voor het slachtoffer heeft.

Marthe Goudsmit werkt als docent aan de Rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden en zal per oktober beginnen aan promotieonderzoek aan de Universiteit van Oxford,[22] teneinde een handleiding te ontwikkelen voor wetgevers en rechtspraktijk voor het effectief strafbaar stellen en vervolgen van pornografie waarbij consent ontbreekt.

 

Afbeelding: Susanna en de oudsten, Lovis Corinth, 1923 © Artepics / Alamy

Home
Other articles
Donate

[1] Zie bijvoorbeeld: Chantal uit Werkendam, Dader [on]bekend, Kortenhoef: Splint Media B.V. 2018.

[2] Zie bijvoorbeeld: I.W. Opstelten, Antwoorden Kamervragen over het strafbaar stellen van wraakporno aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 19 december 2014 Kamerstukken II 2014/15, ah-tk-20142015-933; “Naar een veiliger samenleving; Brief regering; Reactie op de uitzending van RTL Nieuws van 14 april 2015 over ‘wraakporno’ en de mogelijke strafbaarstelling daarvan in het Verenigd Koninkrijk” 12 juni 2015, Kamerstukken II 2014/15, 28684, 443.

[3] Hoge Raad, 23 mei 1921, NJ 1921/564.

[4] HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5000, r.o. 2.3.

[5] “Naar een veiliger samenleving; Brief regering; Reactie op de uitzending van RTL Nieuws van 14 april 2015 over ‘wraakporno’ en de mogelijke strafbaarstelling daarvan in het Verenigd Koninkrijk” 12 juni 2015, Kamerstukken II 2014/15, 28684, 443.

[6] ‘Revenge porn victims often blamed, says helpline’, BBC, 28 december 2015.

[7] Onvrijwillige pornografie is onder meer strafbaar gesteld door een verbod op stiekem filmen in bijvoorbeeld kleedkamers in Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nieuw Zeeland en verschillende staten in de Verenigde Staten.

[8] Hanneke de Graaf en Ciel Wijsen (ed.), Monitor seksuele gezondheid in Nederland 2017, Rutgers, p. 2.

[9] Emma Holten, “Someone stole naked pictures of me. This is what I did about it – Video,” The Guardian, 21 januari 2015.

[10] https://www.youtube.com/watch?v=pGWggWQM4jY

[11] “Kinderpornografie blijft slachtoffers achtervolgen”, Nationaal Rapporteur Mensenhandel, 29 september 2017.

[12] https://www.cnet.com/news/revenge-porn-youporn-reporting-tool/

[13] (Internet)consultatieversie, Wijziging van onder meer het Wetboek van Strafrecht in verband met de herwaardering van de strafbaarstelling van enkele actuele delictsvormen (herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen), art. 139h lid 2.

[14] Rebecca Campbell, “The Psychological Impact of Rape Victims’ Experiences With the Legal, Medical, and Mental Health Systems,” American Psychologist, (2008)., p. 703.

[15] Dmitry Khodyakov, “Trust as a Process: A Three-Dimensional Approach,” Sociology 41, no. 1 (2007)., p. 121.

[16] John Eekelaar, Family Law and Personal Life (Oxford: Oxford University Press, 2006)., p. 4-47.

[17] Jonathan Herring, “The Meaning of Domestic Violence: Yemshaw v London Borough of

Hounslow [2011] UKSC 3,” Journal of Social Welfare and Family Law 33, no. 3 (2011)., p. 302.

[18] Ibid.

[19] Ibid.

[20] Ibid.,p. 301.

[21] Zie bijvoorbeeld: M.C. Barnum, “IT HAPPENED TO ME: I Was The Victim Of Revenge

Porn And Forced To Resign From My Job,” XOJane, 7 October 2015.; Lou Chibbaro Jr., “Gay teacher’s sex video stolen, posted to school site,” Washington Blade, 10 February 2016.; Cyber Civil Rights Initiative, “Victims’ Stories” https://www.cybercivilrights.org/share-your-story/

[22] Zie: www.timetoendrevengeporn.comv