Project Description

Naar een effectieve strafbaarstelling van wraakpornografie

ABSTRACT

Deze scriptie behandelt de status van wraakpornografie in het Nederlandse strafrecht. Vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy worden in deze analyse besproken als de twee grondrechten die met elkaar in botsing zijn. Smaad en laster (art. 261 en 262 wetboek van strafrecht) en belediging (art. 266 wetboek van strafrecht) worden ontleed om hun de mate waarin deze artikelen geschikt zijn voor de vervolging van wraakpornografie vast te stellen. Hoewel de Nederlandse wetgever zich in 2014 op het standpunt stelde dat wraakpornografie geen aanvullende strafbaarstelling behoefde omdat het al strafbaar zou zijn onder smaad, laster en belediging, komt deze scriptie tot de conclusie dat daaraan een denkfout ten grondslag ligt. Wanneer wraakpornografie onder smaad, laster of belediging vervolgd wordt, is er sprake van impliciete ‘victim blaming’ (het slachtoffer de schuld geven van zijn eigen ellende) en dat zou voorkomen moeten worden. De scriptie concludeert met het advies nieuwe wetgeving te ontwikkelen.

This thesis (in Dutch) discusses the status of revenge pornography in Dutch criminal law. Freedom of speech and a right to privacy are analysed with regard to their weaknesses in revenge pornography. The Dutch equivalent of slander (articles 261 and 262 of the Dutch Criminal Code) and insulting (article 266 of the Dutch Criminal Code) are further analysed to establish their suitability for the criminalisation of revenge pornography. Although the Dutch legislator was of the opinion that revenge pornography did not need additional legislation in order to be criminalised, this thesis found that to prosecute revenge pornography under slander or insult would constitute victim-blaming and should therefore not be done. The thesis concludes to advise the adoption of new legislation.

Lees meer.

Thesis in partial fulfilment of the masters Jurisprudence and Philosophy of Law.

Home
Andere artikelen